Ronde Tafel 2014

IVP – Instituut voor Pensioeneducatie organiseerde op maandag 31 maart 2014:

Ronde Tafel: Kansen, Kosten en Keuzen voor Pensioenfondsen en Vermogensbeheerders

De ontwikkelingen in de pensioensector volgen zich in rap tempo op. Tijdens de bijeenkomst werd ingegaan op kansen die nieuwe mogelijkheden bieden en keuzen die daarbij worden gemaakt waarbij het kostenaspect een belangrijke factor is.

1. Kansen in Europa

Mr dr Hans van Meerten van Clifford Chance besprak ontwikkelingen in Europa.

Herziening van de Europese Pensioenfondsenrichtlijn (IORP)

Europees Commissaris Michel Barnier (DG Interne Markt) publiceerde op 27 maart 2014 een voorstel voor een herziening van de Europese pensioenrichtlijn (Richtlijn 2003/41/EG). Dit is onderdeel van een breder pakket om economische groei te stimuleren en langetermijninvesteringen aantrekkelijker te maken.

Nederlandse pensioenfondsen vallen onder de reikwijdte van de Europese richtlijn. Het voorstel beoogt vooral de eisen aan de governance en transparantie van pensioenfondsen te versterken, langs de lijnen van de Solvency II richtlijn voor verzekeraars. Het voorstel verandert niets aan de (minimale) prudentiële eisen die vanuit Europees perspectief aan pensioenfondsen worden opgelegd. Wel verwacht de Commissie nadrukkelijk  verdere harmonisatie op kwantitatief terrein. De Commissie hoopt (en verwacht) dat een EIOPA-advies ten aanzien van de holistische balans de basis kan vormen voor kwantitatieve bepalingen in de Pensioenrichtlijn.

De publicatie van het richtlijnvoorstel is de eerste stap naar herziening van de Pensioenfondsenrichtlijn.

Hans van Meerten besprak enige punten uit het voorstel:

  • Verzekeren van gegoedheid van de pensioenuitvoerder en beter beschermen van de deelnemers en begunstigden van pensioenregelingen;
  • Beter informeren van deelnemers aan en begunstigden van pensioenregelingen;
  • Verwijderen van obstakels om grensoverschrijdend te werken;
  • Aanmoedigen van pensioenfondsen om langetermijn-beleggingen te doen in groei, milieu en milieubevorderende economische activiteiten.

 

 

Verder:

  • Geen kwantitatieve eisen/beperking in tegenstelling tot Solvency II;
  • Verplichte bewaarder (net als bij beleggingsfondsen);
  • Nieuwe regels bij uitbesteding;
  • Volledig gedekte verplichtingen (waardoor mogelijk een verdere verschuiving optreedt naar DC-regelingen omdat volledige financiering van de verplichtingen van een pensioenfonds een kostbare zaak kan blijken);
  • Pension Benefit Statement (vergelijkbaar met een Uniform Pensioenoverzicht).

 

Ten aanzien van beleggingsbeleid bepaalt het voorstel:

  • Het beginsel van de Prudent person blijft; het beginsel wordt meer in lijn met Europese wetgeving zoals die geldt voor beleggingsfondsen (MiFiR)
  • EU-lidstaten waarbinnen buitenlandse vehikels actief zijn mogen aan die buitenlandse vehikels niet langer aanvullende beleggingsregels stellen bij de internationale activiteiten;
  • EU-lidstaten kunnen geen beperkingen opleggen aan instellingen die in langetermijninstrumenten beleggen die niet op gereguleerde marketen worden verhandeld. Bovendien mogen er geenbeperkingen worden opgelegd aan beleggingen in niet-genoteerde kapitaalgoederen die verband houden met lage koolstofuitstoot en klimaatbevorderende infrastructuurprojecten;
  • EU-lidstaten zullen aan instellingen verplichten om een risicomanagement-functie, interne audit-functie en, waar van toepassing, een actuariële functie in hun organisaties te borgen.

 

 

Het lijkt erop dat pensioenfondsen worden gestimuleerd (alternatieve) beleggingen met het thema klimaat en milieu in de portefeuille te nemen/te houden.

 

 

Kansen: grensoverschrijdende vehikels

In het voorstel moeten EU-lidstaten meewerken aan het mogelijk maken voor instellingen om internationale activiteiten op het gebied van pensioen uit te voeren, ongeacht de lokale sociale en arbeidswetgeving inzake het pensioensysteem in een lidstaat en ongeacht of deelname aan pensioenregeling wettelijk is verplicht.

Hans van Meerten merkte op dat door die bepaling ook de nationale sociale en pensioenwetgeving langzamerhand onder het bereik van de EU komt terwijl juist ten aanzien van sociale en pensioenwetgeving daarvoor een voorbehoud was gemaakt.

Nederlandse lobby inzake solvabiliteit pensioenfondsen effectief?

Hij vroeg zich af of de succesvolle Nederlandse lobby om striktere voorwaarden inzake de solvabiliteit van pensioenfondsen uit te stellen nut heeft.

Hans van Meerten wees daarbij op de toenemende verschuiving van defined benefit naar defined contribution-regelingen, de mogelijkheid om grensoverschrijdende pensioenvehikels op te zetten en gelet op een initiatief van EIOPA om te komen met prudentiële regelgeving en bescherming van consumenten teneinde een EU-markt te ontwikkelen voor persoonlijke pensioenplanning.

De aangekondigde Europese regelgeving lijkt kansen te gaan bieden voor pensioenfondsen en vermogensbeheerders om in de grote Europese markt (gezamenlijk?) dienstverlening op het gebied van pensioenuitvoering te bieden met grensoverschrijdende vehikels.

2. Pensioenfondsen, BTW en dienstverlening

BTW is een enorme bron van inkomsten voor de Nederlandse staat. Voor pensioenfondsen is die belasting een fikse kostenpost.

Pensioenfondsen die naast goede rendementen ook op de besparing van kosten letten, kunnen uiteindelijk voor hun deelnemers een regeling voordeliger uitvoeren. BTW is een kostenpost waarvan pensioenfondsen zich bewust kunnen zijn.

Systeem van BTW

Mr Ate van IJlzinga Veenstra (Clifford Chance) lichtte kort toe hoe het systeem van omzetbelasting werkt. Hij bedankte BTW-specialist Edwin van Kasteren voor de voorbereiding op deze sessie. Over het gebruik van goederen en diensten betalen eindgebruikers omzetbelasting. Een consument die een broek koopt, betaalt over de koopprijs van de broek omzetbelasting. Alle schakels die tussen de aanbieder van de dienst of het goed zitten en de eindgebruiker, betalen over die dienst of dat goed effectief geen omzetbelasting.

Pensioenfondsen zijn vrijgesteld van omzetbelasting. Dat betekent dat zij over de diensten die zij verlenen geen BTW in rekening hoeven te brengen bij de afnemers. Daarom betalen werknemers en werkgevers geen BTW over de pensioenpremie die zij aan een pensioenfonds betalen en daarom betalen gepensioneerden geen BTW over de pensioenuitkering die zij ontvangen.

 

 

De andere kant van de medaille is dat diensten die aan pensioenfondsen worden geleverd, zijn belast met BTW. Zo betalen pensioenfondsen BTW over de vergoedingen van externe deskundigen in het bestuur, beleggingscommissie of intern toezicht. En pensioenfondsen betalen BTW over de beheervergoedingen van vermogensbeheerders met wie individuele vermogensbeheermandaten zijn afgesproken (thans bedraagt het BTW-tarief daarover 21%).

Voordelen voor pensioenfondsen en vermogensbeheerders

De vraag is of vermogensbeheerders en pensioenfondsen gezamenlijk aan producten en dienstverlening kunnen werken waarbij het BTW-nadeel voor pensioenfondsen wordt omgezet in voordelen voor pensioenfondsen en vermogensbeheerders.

Koepelvrijstelling (zie ook pagina’s 199 – 205 van Hoofdlijnen Pensioenfondsmanagement)

Pensioenfondsen kunnen (nog) gebruik maken van de koepelvrijstelling, waarbij sommige diensten wel (bijvoorbeeld administratie en ICT) en sommige diensten (bijvoorbeeld vermogensbeheer) aan pensioenfondsen niet worden belast met BTW. De koepelvrijstelling is er zodat activiteiten die het algemeen belang dienen, kunnen worden verricht vrij van omzetbelasting op voorwaarde dat die activiteiten niet al te concurrentieverstorend werken. Een voorbeeld is een aantal ziekenhuizen dat een een gezamenlijk inkoopkantoor heeft. Dat inkoopkantoor hoeft over sommige dienstverlening aan de ziekenhuizen binnen de koepel in dit voorbeeld geen BTW in rekening te brengen. Dit geldt ook (nog) voor pensioenfondsen. Het gaat om samenwerking tussen pensioenfondsen of tussen pensioenfonds en een uitvoeringsorganisatie. Over bepaalde diensten zoals vermogensbeheer binnen die samenwerking, geldt een vrijstelling van BTW.

De kabinetsplannen zijn om in het kader van bezuinigingen 100 miljoen euro aan BTW-opbrengsten te genereren door de koepelvrijstelling voor pensioenfondsen af te schaffen.

Mr Ate van IJlzinga Veenstra meent dat de afschaffing van de koepelvrijstelling wegens concurrentieverstoring geen gelopen race is. Er zijn argumenten aan te voeren dat een generieke afschaffing van de koepelvrijstelling indruist tegen Europees recht. Daarnaast spreekt de Nederlandse wet over enige concurrentieverstoring die wel toelaatbaar is zodat daarmee de koepelvrijstelling juist kan worden behouden.

De trend lijkt evenwel dat pensioenfondsen steeds meer DC-regelingen uitvoeren ten opzichte van DB-regelingen, steeds meer als een financiële instelling (beleggingsonderneming) wordt gezien en ook steeds meer als zodanig worden behandeld (juridisch, fiscaal en vanuit toezichtsoogpunt). In die verschuiving wordt de koepelvrijstelling steeds minder relevant, gelet op de uitspraak inzake ATP Pension Service. ( Hof van Justitie, 12 december 2013, C-464/12 ATP Pension Service )

 

 

Sinds de Europese uitspraak inzake het Deense ATP Pension Service is er discussie of het beheer van pensioenfondsen die defined contribution-regelingen uitvoeren onder de btw-vrijstelling voor collectief vermogensbeheer valt. Kort gezegd geldt een vrijstelling van BTW over geleverde diensten aan pensioenfondsen als:

  1. Verschillende begunstigden gezamenlijk geld bijeen brengen om risico over een reeks effecten te spreiden; én
  2. Begunstigden een onvoorwaardelijk recht hebben met betrekking tot hun belegging; én
  3. Begunstigden zowel de kosten voor het fonds als het beleggingsrisico dragen. Dit is ook van toepassing als de werkgever voor de werknemer pensioenpremie stort.

Pensioenfondsen die een DC-regeling uitvoeren, voldoen aan deze eisen. Zij kunnen hun situatie voorleggen aan de Belastingdienst om te bezien of zij op basis van deze uitspraak vrijgesteld zijn van BTW over vermogensbeheerdiensten die aan hen worden geleverd.

Fiscale eenheid

Een andere mogelijkheid voor pensioenfondsen om een BTW-vrijstelling te behalen is door een fiscale eenheid voor de omzetbelasting aan te gaan. Denk hierbij aan de situatie waarbij een pensioenfonds voor (bijna) 100% eigenaar is van een uitvoeringsbedrijf. De diensten die het uitvoeringsbedrijf levert aan het pensioenfonds, zijn dan vrijgesteld van omzetbelasting.

 De oplossing: Collectief vermogensbeheer. Bespaar 21% over beheervergoedingen!

Vrijgesteld van BTW is dienstverlening uit hoofde van collectief vermogensbeheer. Als er sprake is van collectief vermogensbeher door externe vermogensbeheerders, dan hoeven die vermogensbeheerders over hun beheervergoeding geen 21 % BTW in rekening te brengen bij het pensioenfonds.

Als pensioenfondsen zouden samenwerken, kunnen zij een gezamenlijk vermogen laten beheren zodanig dat sprake is van een collectief. Pensioenfondsen die samenwerken, kunnen besloten fondsen voor gemene rekening vormen. Die fondsen sluiten vervolgens de overeenkomsten met de externe vermogensbeheerders zodat er geen BTW in rekening hoeft te worden gebracht over het beheer van dit gezamenlijke vermogen. Dit kan aanzienlijke kosten schelen.

Vermogensbeheerders kunnen wellicht hun externe mandaten als diensten of producten aanbieden in de vorm van een collectief, buiten de (genoteerde) beleggingsfondsen die zij al aanbieden. Het BTW-voordeel voor pensioenfondsen van 21% over de beheervergoeding kan dan bijvoorbeeld in een bepaalde verhouding worden gedeeld met de vermogensbeheerder om de kosten van het aanbieden van deze gespecialiseerde dienstverlening terug te verdienen. Het collectief moet zodanig zijn gestructureerd dat het buiten het bereik van de vennootschapsbelasting blijft.

Zowel pensioenfondsen als vermogensbeheerders die dit zouden aanbieden, hebben hier voordeel van en daarmee uiteindelijk de deelnemers en gepensioneerden van het pensioenfonds.

Miljoenen euro’s per jaar aan kostenbesparing

Het is voor pensioenfondsen zeer belangrijk om na te gaan hoeveel zij jaarlijks aan BTW betalen over de beheervergoedingen van de vermogensbeheerders die zij inhuren en over andere diensten die zij afnemen. Bij een pensioenfonds met bijvoorbeeld zeven miljard euro aan vermogen dat is uitbesteed aan verschillende vermogensbeheerders, kan het voordeel oplopen tot enige miljoenen euro’s per jaar.

3. Kosten vermogensbeheer

Eric J.F. Veldpaus RA, strategisch directeur bij Novarca Benelux, besprak aan de hand van een aantal stellingen kosten van pensioenfondsen. Eric is de samensteller van de Aanbevelingen uitvoeringskosten, uitgebracht door de Pensioenfederatie.
Novarca is van oorsprong een Zwitserse onderneming die sinds 2008 actief is voor geïnstitutionaliseerde vermogens zoals pensioenfondsen, verzekeraars en grote privévermogens die meer grip op die kosten willen hebben. Dat gebeurt door kosten volledig transparant te maken en te optimaliseren.

Kosten van vermogensbeheer in relatie tot risico en rendement

Aan de orde kwam de vraagof de vermogensbeheerkosten in Nederland nog wel verder geoptimaliseerd kunnen worden.  Kosten zijn vaak communicerende vaten. Novarca beoordeelt in samenhang de kosten van vermogensbeheer en de transactiekosten. Daarbij laat Novarca de bestaande asset mix en implementatiestijl ongemoeid (geen beleggingsadvies en geen selectie van een vermogensbeheerder). Novarca streeft naar de optimale kosten in relatie tot de driehoek kosten, rendement en risk-appetite.

Bij het optimaliseren van de vermogensbeheerkosten staat het handhaven van de bestaande relaties met leveranciers voorop. Naast het analyseren implementeert Novarca, in overleg met de klant, de geïdentificeerde besparingen en monitort gedurende twee jaar de geoptimaliseerde portefeuilles. Inspanning van de opdrachtgever is daarbij uiterst beperkt.

In de media verschijnen regelmatig lijsten met de Top 10 duurste pensioenfondsen, of top 10 pensioenfondsen met hoogste rendement. De informatiewaarde van deze lijstjes is evenwel beperkt omdat kosten samenhangen met rendement en risico.

Er is geen directe relatie tussen de hoogte van de kosten en het bereikte rendement dat een externe vermogensbeheerder realiseert. Beter is om de kosten van de inhuur door een pensioenfonds van een externe vermogensbeheerder te zien in het bredere kader van doelstelling van het betreffende mandaat, risico en serviceniveau. In dat bredere kader is niet bij voorbaat een hogere vergoeding voor een externe vermogensbeheerder iets dat verkeerd is. In de uitvoering van een vermogensbeheermandaat zijn er vele beslissingen die niet als kostenpost zijn te verantwoorden. De beslissing na gedegen onderzoek om ergens niet in te beleggen, is in feite een kostenpost. Of en hoe die kostenpost moet worden gerapporteerd, is niet duidelijk.

4. Sturen op kosten bij een pensioenfonds

Drs. Gerard Warmerdam RBA, bestuurder van Pensioenfonds Achmea, zette uiteen hoe dat pensioenfonds stuurt op de kosten van vermogensbeheer. Daartoe is het pensioenfonds eerst de eigen beleggingsovertuigingen gaan bestuderen. Welke onderdelen van het vermogensbeheer moeten echt actief worden beheerd in de jacht op extra rendement? Welke onderdelen kunnen passief worden vormgegeven? Is het mogelijk om een partij te selecteren voor het vermogensbeheer en een andere die de transacties uit dat mandaat uitvoert tegen execution only voorwaarden?

De heer Warmerdam adviseerde pensioenfondsen te overwegen om de custodian (in zijn voorbeeld: de Kas Bank) de kosten en de transacties van het vermogensbeheer te laten controleren.  En vooral om de kosten niet in basispunten maar in euro uit te drukken.