Congres 2015

De stichting IVP – Instituut voor Pensioeneducatie is opgericht door de Haagse pensioenuitvoerder MN teneinde een kwaliteitsimpuls te brengen aan de Nederlandse pensioensector. Daartoe ontwikkelde IVP de leergang Pensioenfondsmanagement, Competentietrainingen, de training Duurzaamheid voor institutionele beleggers, publiceert IVP, organiseert IVP seminars, en jaarlijks een congres.

IVP – Instituut voor Pensioeneducatie organiseerde op donderdag 10 december 2015 in de Willem Burgerzaal van De Doelen te Rotterdam haar vierde jaarcongres, “Besturen en beleggen in 2016”de doelen

Op deze pagina staat het verslag van dit congres.

Het congres werd financieel mogelijk gemaakt dankzij de hoofdsponsoren (klikt u op de betreffende naam voor meer informatie) :

IVP dankt de mede-sponsoren (klikt u op de betreffende naam voor meer informatie) :

IVP – Instituut voor Pensioeneducatie dankt tevens onderwijspartner CFA Institute.

 

IVP – Instituut voor Pensioeneducatie is erkentelijk aan prof. dr. Antoine Bodar. Hij sprak tijdens het congres over financiële markten en ethiek. Hij benadrukte dat de mens meer is dan een homo economicus en dat mag – moet – tot uitdrukking komen in het gedrag van professionele partijen op de wereldwijde financiële markten.

 

 

 

 

 

Presentaties van de sprekers vindt u door op de naam van de betreffende spreker te klikken:

ir Michiel Adriaanse MBA, CAIA, Deutsche Asset & Wealth Management, over impact investing met alternatieve beleggingen

Drs. Bert Boertje – De Nederlandsche Bank, over toezichtthema’s in 2016

Prof.dr. Anton Brender – Chief Economist, Candriam Investor Group, over geld, financiële markten en de echte economie

Alix Chosson, responsible investments analyst, Standard Life Investments, over impact beleggen en de ontwikkeling van duurzame beleggingen

Prof. dr. Coby van der Linde – Clingendael International Energy Programme, over duurzaamheid en energie

ir. Dirk van Slooten MBA – VSC Hattem, over financiering van verplichtingen van pensioenfondsen en verzekeraars met kasstromen uit vloeibaar aardgas-projecten

Roger Urwin namens CFA Institute over duurzaamheid als prioriteit voor pensioenfondsen

Verslag van het IVP-congres ‘Besturen en beleggen in 2016’

1. Toezichtsprioriteiten  van De Nederlandsche Bank in 2016

Namens De Nederlandsche Bank opende drs. Bert Boertje, divisiedirecteur pensioentoezicht, het vierde jaarlijkse congres van het Instituut voor Pensioeneducatie.

Zijn volledige toespraak vindt u HIER.

DNB gaat aan de slag met het onderwerp van ‘duurzaam beleggingsbeleid’. DNB maakt zich sterk voor financiële stabiliteit en draagt daarmee bij aan duurzame welvaart in Nederland.

Na de crisis moest het vertrouwen van het publiek in de financiële sector worden hersteld – óók het vertrouwen in pensioenfondsen. Nieuwe wet- en regelgeving volgden maar er is meer nodig om vertrouwen terug te winnen: een andere mentaliteit. Een mentaliteit die niet langer uitgaat van korte termijn-denken en zich richt op duurzaamheid, stabiliteit, welvaart op de lange termijn.

Daartoe wil DNB zelf het goede voorbeeld geven door het eigen beleggingsbeleid duurzaam te maken en door duurzaamheid te verankeren in de eigen organisatiestrategie.

Ook in de toezichtthema’s voor 2016 klinkt duurzaamheid nadrukkelijk door. Thema’s zijn allemaal geënt op het idee dat DNB wil bijdragen aan een solide duurzame omgeving voor onze pensioenen. Daarbij past het benadrukken van enerzijds een evenwichtig belangenafweging en anderzijds het stimuleren van transparantie.

Het gaat om:

- een evenwichtige financiële opzet en de wijze waarop hierover wordt gecommuniceerd

- een toekomstbestendige financiële sector. Blijvende aandacht voor de toekomstbestendigheid van het bedrijfsmodel

- aandacht voor de lage rente en de search for yield in de context van renteafdekking en risicoprofiel en evenwichtige behartiging van belangen

- duurzaamheid van het beleggingsbeleid

DNB gaat letten op hoe duurzaamheid past bij de voorkeuren van uw deelnemers, uw beleggingsbeleid en uw risicostrategie. Een concreet aangrijpingspunt hiervoor is artikel 135, lid 4 van de Pensioenwet. Daarin staat dat elk pensioenfonds in zijn jaarverslag dient te vermelden op welke wijze in het beleggingsbeleid rekening wordt gehouden met milieu, klimaat, mensenrechten en sociale verhoudingen.

DNB zal in 2016 met de sector in gesprek gaan en ‘good practices’ identificeren.

2. Presentatie IVP-boek ‘Het profijt van duurzaamheid’ (Wolters Kluwer, 10.12.2015)

Hierna nam de heer Boertje in ontvangst het eerste exemplaar van het boek ‘Het profijt van duurzaamheid. Een zakelijke benadering’. Het boek is uitgegeven door Kluwer. Klikt u HIER OM TE BESTELLEN.

Vanuit verschillende invalshoeken wordt op praktische wijze aangegeven of en hoe het brede onderwerp duurzaamheid zakelijk gezien interessant is voor institutionele beleggers zoals pensioenfondsen, verzekeraars en beleggingsfondsen.

Nieuwe, oorspronkelijke gedachten in het boek:

- er ligt een regel van moraal besloten in de economische wetenschap: de Gulden regel. Toepassing van die regel in bijvoorbeeld beleggingsbeleid leidt tot duurzame én economisch efficiënte uitkomsten;

- pensioenfondsen en verzekeraars kunnen hun langlopende verplichtingen financieren met kasstromen die voortvloeien uit vloeibaar aardgas-projecten, bijvoorbeeld als alternatief voor obligaties. Vloeibaar aardgas kent vele toepassingen waaruit kasstromen komen over een lange reeks van jaren. Een stap beter dan olie en kolen wat betreft uitstoot, en een alternatief voor laag renderende (staats)obligaties waarmee nu vaak de langlopende verplichtingen worden gefinancierd. Dit onderstreept de zakelijke benadering van het onderwerp duurzaamheid.

- In hun rol van institutionele belegger oefenen bijvoorbeeld pensioenfondsen invloed uit op  sectoren of ondernemingen waarin zij beleggen op gebied van duurzaamheid. Pensioenfondsen of verzekeraars zijn echter zelf ook organisaties die het onderwerp duurzaamheid in hun eigen organisatiestrategie kunnen integreren.

In het boek zijn voorbeelden opgenomen van marktleiders in de petrochemische en de bio-industrie die duurzaamheid integraal in hun bedrijfsstrategie hebben opgenomen mede om beter te renderen. Als zij het kunnen, kunnen pensioenfondsen en andere institutionele beleggers zelf duurzaamheid ook opnemen in hun eigen organisatie voor people, planet én profijt.

Het gaat hier om méér dan een duurzaam beleggingsbeleid, en toezichthouder DNB, die het eerste exemplaar van het boek in ontvangst nam, gaat hier ook op letten.

 

3. Investeerders op de energieladder? – Prof. dr. Coby van der Linde

Prof. dr. Coby van der Linde, directeur van het Clingendael International Energy Programme, presenteerde haar hoofdstuk uit ‘Het profijt van duurzaamheid’.

Haar presentatie vindt u HIER.

Het woord ‘duurzaamheid’ heeft vele betekenissen en wordt vaak in verband gebracht met milieu. Tijdens de Klimaattop in Parijs in december 2015 zijn afspraken gemaakt met als doel de uitstoot van koolstof te beperken om te voorkomen dat onze planeet meer dan maximaal 2 graden Celsius warmer wordt in 2050.

Energie is een basisvoorziening voor onze samenleving. Een belangrijk deel van de broeikasgassen wordt uitgestoten door de energiesector waardoor de klimaatopgave van de wereld vooral een probleem is van de energiesector om te veranderen naar een koolstofarme economie. Er is een balans nodig tussen de uitstoot van koolstof, concurrentiepositie en voorzieningszekerheid.  Er is begrip nodig voor de economie van energie om decennia van de-industrialisatie en economische stagnatie te voorkomen.

Momenteel zijn in veel landen de kosten van klimaatverandering noch luchtvervuiling in de prijs van energie meegenomen. Daardoor wordt ook de behoorlijk verschillende koolstofvoetafdruk van kolen, olie en aardgas niet in de prijs van energie gewaardeerd. Voor investeerders is het echter wel belangrijk om deze verschillen te waarderen omdat bij een afnemende koolstofruimte en een toenemende kans op het internaliseren van (een deel) van de koolstofkosten niet alleen de terugverdientermijn van investeringen kan worden beïnvloed, maar ook de winst.

 

Net zoals de verdeling over landen van de minerale energiereserves kolen, olie en aardgas in de wereld ongelijk is, zal ook de verdeling van de kosten van klimaatverandering ongelijk zijn. Dit levert een complexe politieke en economische verhouding op tussen landen in de wereld, waarbij korte termijn voordelen (bijvoorbeeld werkgelegenheid of exportopbrengsten) en langer termijn kosten (biodiversiteit, landbouw, veiligheid) met elkaar concurreren om beleidsvoorrang.

Er is een discussie over een dreigende financiële crisis door massaal gestrande bezittingen van energiebedrijven (Carbon Bubble discussie). Gestrande bezittingen zijn investeringen in winning, infrastructuur, conversiefabrieken en distributienetwerken van fossiele brandstoffen die in sommige 2 graden Celsius-scenario’s geheel dienen te verdwijnen in 2050 (en voordat zij zijn afgeschreven) om plaats te maken voor koolstafarme energietechnologieën, zoals zon en windenergie. In deze discussie worden meestal alle fossiele brandstoffen met een pennenstreek benoemd als niet passend in een koolstofarme energie-economie, terwijl er belangrijke verschillen bestaan in de uitstoot van CO2 tussen de verschillende fossiele brandstoffen en de conversietechniek.

Door de toenemende inzet van nieuwe koolstofarme energietechnologie zouden investeringen in fossiele energiewaardeketens snel aan waarde inboeten. Deze discussie zorgde er voor dat in het politiek-maatschappelijke discours in delen van de VS en Europa alle fossiele brandstoffen op één hoop werden gegooid als niet-passend in een klimaatbeleid. Tegelijkertijd wilde men investeerders overtuigen om de investeringen in hernieuwbare energie fors te verhogen.

Pensioenfondsen en andere investeerders, zoals private universiteiten, werden onder druk gezet om onmiddellijk investeringen in fossiele brandstoffen te staken. De discussie kreeg steun van het Noorse -bijna 900 miljard grootte- sovereign wealth fund dat zijn eigen investeringsbeleid onder de loep nam. De uiteindelijke uitkomst van dit onderzoek is dat het fonds niet alle investeringen in fossiele brandstoffen zal mijden, maar wel de investeringen in kolen in de ban heeft gedaan. Ook fondsen als van de Rockefeller familie, de Church of England en de Franse verzekeraar AXA mijden sinds kort investeringen in kolen. In de huidige marktomstandigheden lopen investeringen al fors terug, maar de betekenis van de beleidswijziging van deze fondsen is een signaal dat in bepaalde delen van de investeerdersgemeenschap geen terugkeer wordt overwogen naar investeringen in kolen en kolencentrales; althans zolang de uitstoot van CO2 niet radicaal wordt opgelost in dit deel van de energiesector.

De waardering van ondernemingen is echter complexer en niet, zoals vaak wordt beweerd, alleen gebaseerd op het CO2-gehalte van hun bewezen reserves. Technologie, kapitaalmobilisatie en de mogelijkheid om grote complexe projecten te organiseren maken bijvoorbeeld ook deel uit van de waardebepaling. Deze ondernemingen beschikken ook vaak over de mogelijkheid om waarde toe te voegen over de gehele waardeketen in plaats van alleen aan een bepaald onderdeel. Tegelijkertijd voegt de verschuiving in bezittingen naar energiebronnen van hogere kwaliteit (die meer energie leveren per ton koolstof) waarde toe aan olie en gas ondernemingen. Het is daarom begrijpelijk dat investeerders kolenbedrijven met meer voorzichtigheid betrachten dan olie- en gasbedrijven in het bepalen van hun toekomstige waarde. Investeerders hebben gelijk als ze verwachten dat kolen het eerst aan het koolstofreductiebeleid worden blootgesteld.

Energiebronnen en hun productie en consumptie zijn een onderdeel van bredere sociale en culturele complexen. De huidige aanname in de koolstofbeldiscussie dat alle theoretische bekende fossiele energievoorkomens zullen worden geproduceerd en geconsumeerd, is misleidend.

De koolstofbeldiscussie heeft een starre blik op het fenomeen grondstoffenreserves, terwijl er legio voorbeelden zijn van grondstoffen die niet uitgeput zijn maar toch werden verlaten. Energievoorkomens worden namelijk pas energiebronnen als er behoefte en zodoende marktvraag ontstaat. Energiereserves kunnen ook ex-bronnen worden als het potentieel om de markt te bereiken door economie, politiek, overheidsregulering en/of nieuwe technologie wordt afgesloten en de reserves weer veranderen in ‘neutrale stof’. Hierover is een zeer interessant boek dat aan actualiteit niet heeft ingeboet:  World Resources and Industries, door Erich W. Zimmermann (1951). De resterende kolenreserves van Nederland werden in de jaren zestig ex-bronnen door de opkomst van gas en olie in de binnenlandse energievoorziening. Zo bezien is er weinig nieuws onder de zon.

In de wereld van institutionele beleggers is zorg ontstaan over de impact die klimaatbeleid kan hebben op de waarde van hun belegging. Echter, ook institutionele beleggers doen er goed aan om in het licht van klimaatbeleid een onderscheid te maken tussen de verschillende fossiele energiebronnen en de energie per uitgestoten koolstof die zij opleveren. Daarbij is het ook van belang om de tijdspanne die transitie in beslag kan nemen in ogenschouw te nemen en de verschillende strategieën van landen om de voetafdruk (op termijn) te verminderen.

De vraag voor institutionele beleggers over het risico met waardeloze beleggingen te blijven zitten gaat over het overheidsbeleid (CO2- prijs, stimulering nieuwe energietechnologie), de samenstelling van de portfolio van stroomproducenten, de rol van olie in mobiliteit, en petrochemie en de rol van gas in zowel de opwekking van stroom, vervoer en industrie.

4. Vloeibaar aardgas-projecten ter financiering van verplichtingen van pensioenfondsen en verzekeraars – ir Dirk van Slooten MBA

Ir. Dirk van Slooten lichtte toe zijn hoofdstuk uit ‘Het profijt van duurzaamheid’.

Hij stelde dat de verplichtingen die pensioenfondsen en verzekeraars hebben, kunnen worden gefinancierd met kasstromen die voortvloeien uit vloeibaar aardgas-projecten. Vloeibaar aardgas, afgekort als LNG naar de Engelse term liquefied natural gas, is schoner dan kolen en olie. Het financieren van langjarige verplichtingen met inkomsten uit LNG-projecten is een voorbeeld van zakelijk omgaan met duurzaamheid.

 Zijn presentatie vindt u HIER.

De heer van Slooten gaf aan dat de risico’s verschillen per onderdeel uit de hele keten van vloeibaar aardgas, van winning, transport, opslag en verschillende gebruikstoepassingen.

Liquified Natural Gas (LNG) is vloeibaar gemaakt methaan (CH₄) beter bekend als Gas. De herkomst is natuurlijk (aard-) gas (NG) van de (olie)bron en wordt in eerste instantie getransporteerd door pijpleidingen naar elektriciteitscentrales en/of via een distributie netwerk voor verwarmings- en kookdoeleinden. Echter als natuurlijke gasbronnen niet verbonden zijn met de eindgebruiker via een pijpleiding zal een alternatieve manier van transporteren moeten worden ontwikkeld.

NG wordt vloeibaar gemaakt bij de bron door middel van afkoelen tot het een vloeistof wordt bij min 162˚ C. Het behoudt dezelfde energie waarde, maar is 600 keer kleiner (vloeistof) in volume waardoor het mogelijk is als vloeistof te transporteren over de aardbol naar de eindgebruiker met behulp van gespecialiseerde LNG-zeeschepen. Bij aankomst in de haven van bestemming wordt de LNG opgeslagen in grote tanks. Als het gas nodig is in het aangesloten pijpleiding netwerk (Grid), dan wordt de vloeibare LNG verwarmd tot omgevingstemperatuur en is het weer “normaal” NG. Vervolgens wordt het onder druk in het Grid gepompt om naar de eindgebruiker te transporteren.

LNG is geurloos, kleurloos, erg koud (-162˚ C) met een hoog energie gehalte. LNG wordt feitelijk als een kokende vloeistof opgeslagen en staat niet onder druk. Op deze manier houdt de LNG zijn lage temperatuur vast. LNG (of eigenlijk NG) is lichter dan lucht en zal onmiddellijk verdampen en naar de hogere luchtlagen verdwijnen als het ontsnapt aan zijn opslag tank. Dit is een gunstige eigenschap voor het intrinsiek veilig gedrag van LNG.

Gedurende de laatste 50 jaar (eerste LNG verscheping gaat terug tot de vroege jaren  60) is de LNG technologie en markt volledig gecontroleerd door de grote olie- en gasbedrijven. De hoge veiligheidsstandaarden en trackrecord rond LNG zijn ongeëvenaard zonder enig belangwekkend incident in transport, opslag en regassificatie in die periode.

Vrijwel alle LNG-investeringen zijn op projectbasis georganiseerd. Risico’s kunnen daarom veelal per project worden ingeschat. Dit is aantrekkelijk als er sprake is van, in volgorde van kapitaalbehoefte, een regionale terminal, een schip, een (vloot van) tankauto(s) of een (keten van) tankstation(s).

Daar het hier gaat om investeringen in fysieke goederen (schepen, trucks, terminals en stations) is de verhandelbaarheid binnen de energie – en transportsector groot. Maar ook investeerders die een lange termijn stabiele inkomstenstroom zoeken, zullen zich in deze sector thuisvoelen. Het ondernemingsrisico is met name afhankelijk van het succes van LNG als brandstof voor transport of primaire energievoorziening (regionaal) en vrijwel niet van de commodity-prijs.

Er zijn geen projecten die een rechtstreekse relatie hebben met de prijs van LNG of gas (grondstoffenrisico).

De commerciële risico’s van deze infrastructurele investeringen zijn beperkt zolang er niet op verwachtingen wordt gebouwd. In de LNG-business is het gebruikelijk om een aantal contracten met klanten te hebben afgesloten voordat een investering wordt gedaan. De leverancier van de LNG zal een aantal kwaliteitseisen aan de infrastructuur-operator stellen en aan het ontwerp. Anders zal hij niet de LNG gaan leveren. Dit wordt onder meer gedreven door de hoge veiligheidseisen en om te voorkomen dat er extra winsten met de LNG-handel (al dan niet gedeeltelijk) naar de leverancier terugstromen.

Er zijn inmiddels uit de diesel techniek doorontwikkelde LNG en dual fuel (LNG & Diesel) motoren ontwikkeld door de grote motorenfabrikanten. Zelfs bestaande motoren kunnen worden omgebouwd en geschikt gemaakt voor LNG.

De toegepaste technieken in LNG zijn al langere tijd op de markt. Er kan worden gesproken van “proven technology”, zij het dat niet alle kennis overal ter wereld even goed is. Met name in Europa op het gebied van LNG terminal handling en bunkering (o.a. Noorwegen) is dit het geval. Trucktransport van LNG is groot in Spanje, Portugal en de USA. Tankstations als eerste in Nederland in gebruik genomen. Vooral in China, waar zeer veel LNG voor transport wordt gebruikt, is een grote ervaring met LNG als brandstof opgedaan.

De LNG-befrijfstak heeft een zeer veilige manier van opereren met nog nooit, sinds 1964 (het startjaar), een belangrijk incident in de keten na productie van het LNG. Dit betekent echter niet dat de samenleving dezelfde gedachte heeft. Daar wordt gas en dus ook LNG als zeer gevaarlijk gezien. Deze kloof in perceptie en werkelijkheid is vrijwel niet te overbruggen. Toch is om die reden door de grote spelers in LNG een heel hoogwaardig veiligheidsregime afgedwongen bij iedere koper en operator van LNG. Daarnaast heeft het veiligheidsimago van LNG last van verwarring met het industriële LPG (de meest bekenden zijn hier Butaan en Propaan) gas. Deze laatste hebben totaal andere fysieke eigenschappen die een hoger veiligheidsrisico met zich meebrengen.

Er is er geen toezicht van  of namens de nationale -of Europese overheid met LNG. Het is wel zo dat de EU zich inspant om LNG als scheeps- en langeafstandsbrandstof aanvaard te krijgen. Dit gebeurt onder andere door enorme subsidie om infrastructuur van de grond te krijgen.

Foto links: de Complimentenmeisjes. Zij schreven en gaven de congresbezoeker een compliment bij wijze van cadeautje. “We geloven in het grote effect van een oprecht en positief moment tussen twee “vreemden”. Graag willen we het mooie, krachtige en speciale in mensen benadrukken op papier, om nooit meer te vergeten!” 

 

 

 

Wat vond ú van het vierde jaarcongres van IVP – Instituut voor Pensioeneducatie? Laat het ons weten, met uw hulp kunnen we onze evenementen van goed niveau houden:

Uw naam
Organisatie
Uw e-mailadres
Bericht